Puur goud is van nature een zacht metaal en daardoor moeilijk tot sieraad te verwerken. Ter verharding wordt goud dan ook gemengd met bijmetalen als palladium, zilver en koper. Zo ontstaan de zogenaamde goudlegeringen. Deze legeringelementen worden ook gebruikt om verschillende kleuren goud te maken.
Geelgoud:
Geelgoud wordt verkregen door een legering van goud en koper en zilver.
Witgoud:
Witgoud is een legering van (geel)goud en palladium.Vroeger werd meestal nikkel gebruikt voor het legeren van witgoud. Tegenwoordig wordt palladium gebruikt, omdat witgoud met (veel) nikkel i.v.m. de nikkelafgifte (allergie) binnen de EU niet meer mag worden toegepast .
Hierdoor komt het dat een witgouden legering niet zuiver wit is maar eerder gebroken wit, een klein beetje gelig-grijs. Om een mooie witte kleur te verkrijgen, wordt het witgoud voorzien van een afwerkingslaag van rhodium.
Deze rhodiumlaag kan met de jaren afslijten, waardoor de gelig-grijze kleur van het witgoud terug zichtbaar wordt. Het is steeds mogelijk om de juwelen terug in nieuwe staat te brengen en te voorzien van een nieuwe laag rhodium.
Roodgoud:
Roodgoud verkrijgt men door meer koper dan zilver aan de legering toe te voegen
In Europa wordt de hoeveelheid puur goud die aanwezig is in een sieraad uitgedrukt in duizendsten. Zo heeft puur goud, beter bekend als 24 karaats goud, een waarde van 1000 duizendsten. 18 karaats goud dat voor 75% deel uit puur goud bestaat, heeft dus een waarde van 750 duizendsten. De ‘rest’ is dan meestal zilver of koper.
Ieder gouden juweel moet voorzien zijn van een meesterstempel, samen met een stempel die aangeeft uit welke goudlegering het gemaakt is.
De meest gekende goudlegeringen zijn:
9 karaat (375/1000)
14 karaat (585/1000)
18 karaat (750/1000)
20 karaat (833/1000)
22 karaat (916/1000)
In België zijn de meeste gouden juwelen vervaardigd uit 18 karaat goud. Maar dit is zeker niet overal zo. Er zijn ook landen waar de meerderheid van de juwelen uit 14 karaat goud gemaakt wordt (bvb Nederland en Duitsland).